Van goudwaarde

Ouattigué, donderdag 29 november 2007

Vorig jaar schreef een journalist een artikel over Burkina Faso in de trant van 'terug naar het stenen tijdperk'. Om dat te vermijden is Heleen gids, fixer en vertaler van dienst voor twee Spaanse journalisten en een krantenlezeres die de projecten van Bibir bezoeken.

Soms doen de journalisten zelfs beroep op haar om goede vragen te verzinnen - ze geloven eigenlijk ook alleen maar wat je ze wijsmaakt.

Het is spannend om deel te mogen zijn van het grote verhaal - de kleine probleempjes en de zorgen van het projectwerk worden voor even op de achtergrond geschoven.

Donderdag is een topdag. We volgen de medische ploeg van Bibir naar de school van Ouattigué. De dokter en de verplegers zijn straffe knullen en een felle madam. Onvoorstelbaar hoe ze met engelengeduld alle zieke kinderen van de zes klassen van de lagere school verzorgen. In het dorp woedt er een epidemie van stafylokokken - bacteriën die lelijke wonden maken. Die wonden genezen niet zolang ze niet proper zijn en daarom moet alles met alcohol verzorgd, goed ontsmet en met een grote witte pleister afgedekt.

Het verzorgen van de wondjes is voor de kinderen nogal pijnlijk. Eén meisje gilt van de pijn en doet daarbij in haar broek. Om haar een hart onder de riem te steken geeft Lupe - de krantenlezeres - haar een snoepje. Maar de eerste ontmoeting met de witte schorten is dubbel pijnlijk: het snoepje haalt ze met een smoelentrekkend gezicht weer uit haar mond. Alles wat uit Europa komt is blijkbaar niet even lekker…

Een week later komt Heleen weer in de school van Ouattigué, maar dan zonder journalisten. Onder een boom verzorgt een papa de wonden van een tiental kinderen. Aimé, de verpleger van Bibir, had ontsmettingsmiddel en verband achtergelaten en een enthousiaste papa geleerd hoe hij wondjes moest verzorgen.

Met journalisten optrekken is plezant omdat je je neus in zaken kunt steken die je eigenlijk niet aangaan. En je kan vragen stellen die je anders eigenlijk niet durft te stellen. Zo ligt er op enkele honderden meters van de school een goudmijn waar veel te veel mensen hun geluk beproeven. In putten van twintig meter en dieper kappen jongetjes stenen die ze in bakjes aan touwen naar boven hijsen.

Meisjes met kleine puntborstjes slaan die brokstukken met een beitel in nog kleinere stukjes. Het kappen van een hele zak stenen brengt hen nauwelijks 75 eurocent op. Een graanmolen maalt de kleine stukken dan fijn tot steenstof. Deze operatie kost je iets meer dan 11 euro per zak: de molen heeft fossiele brandstof nodig en dat is een stuk duurder dan meisjesarmen.

Het steenstof wordt vervolgens met water en giftige chemicaliën gewassen om de goudschilfers eruit te sorteren. Soms worden goudklompen van een paar kilo gevonden en dat steekt de mensen in het dorp de ogen uit. Met als gevolg dat nog meer jong geweld zijn heil in de mijn komt zoeken.

Ook wij dalen even af in een brede, open put. Van daaruit zakken de jongetjes dan nog eens zovele tientallen meters dieper. De mijn is nu twee jaar open en in al die tijd is er zogezegd nog nooit een ongeluk gebeurd. Onder de grond zit er een heel netwerk van gangen en kamers. Een instorting is niet zo ondenkbaar.

Jazz - een vriend in Ouahigouya - vertelt dat de meeste ongelukken achteraf boven de grond gebeuren. Burkinese macho's die een groot lot naar boven halen, verzilveren hun vondst in een grote stoere motorfiets, en eindigen roemloos in een banaal ongeval. Anderen vertellen dat alleen vrouwen rijk worden op zo'n goudsite. Ze openen er restaurantjes of verkopen hun lichaam aan de bestofte en bezwete mannenlijven.

Ellende troef op de goudsite. Er is enkel de hoop dat je op een dag wel een klompje goud vindt. Is het niet op 50 meter, dan misschien wel op 60 meter …